Ellen Roels is met haar dertig lentes één van de jongste professoren van het land. Ze is assistent-professor in de groep Mechanica van Materialen & Constructies (MeMC) aan de Vrije Universiteit Brussel (VUB). Haar werk slaat een brug tussen materiaalkunde, robotica en constructiemechanica.
Ellen Roels, hoe word je prof op zo’n jonge leeftijd?
Ik ben in 2013 aan de VUB begonnen aan studies burgerlijk ingenieur, optie elektromechanica–robotica. In 2018 ben ik afgestudeerd en meteen aan mijn doctoraat begonnen, een verderzetting van mijn masterthesis over 3D‑printen van zelfherstellende materialen voor zachte robotica. Dat liep in samenwerking met mechanica/robotica en materiaalkunde aan de VUB. In 2023 heb ik mijn PhD behaald. Daarna ben ik kort postdoc gebleven bij die twee groepen en heb ik een eigen onderzoeksbeurs binnengehaald in samenwerking met de KU Leuven. Die beurs liep voor drie jaar, maar na een jaar kreeg ik een positie als professor binnen MeMC aan de VUB.
Wat moeten we precies begrijpen onder de term “zachte robotica”?
Zachte robots zijn letterlijk gemaakt van zachte materialen. Dat is handig voor interactie met delicate dingen of met mensen. Denk aan aardbeien plukken: met harde grijpers is het moeilijk genoeg kracht te zetten zonder te pletten. Zachte robots passen zich aan: ze zijn vergelijkbaar met onze vingertoppen en gaan delicaat te werk. Veel zachte robots zijn opblaasbaar, zoals slimme ballonnen die zo ontworpen zijn dat ze buigen of uitrekken. Dat werkt goed, maar ze zijn kwetsbaar voor scheuren of lekken.
Zachte robots zijn fragiel, maar herstellen zichzelf. Hoe werkt dat zelfherstel?
We maken die uit materialen die zichzelf kunnen genezen. Bij schade zet je de snijvlakken weer tegen elkaar en met wat opwarming treedt in het materiaal een chemische reactie op waardoor de naad heelt. Dat kan meerdere keren. Het is alsof je een doorgesneden ballon weer dicht krijgt door even te verwarmen.

Was je al kind al gepassioneerd door robots?
Niet per se. Thuis hadden we wel wetenschappelijk speelgoed— mijn broer had bijvoorbeeld een microscoop en een elektronica-doos — en ik speelde daar mee. Maar ik had niet het gevoel: dit wordt het. Ik was vooral geïnteresseerd in wetenschappen en wiskunde (mijn vader is wiskundeleerkracht). Tegelijk heb ik ook vakantiewerk in archeologie gedaan. Ik ben iemand die breed geïnteresseerd is en de kansen op het juiste moment grijpt.
Je communiceert regelmatig in de media over je onderzoek. Waarom is wetenschapscommunicatie zo belangrijk?
Veel onderzoek wordt met belastinggeld gefinancierd. Dan vind ik het mijn plicht om terug te koppelen wat we doen en waarom. Daarnaast wil ik jongeren warm maken voor STEM (Science, Technology, Engineering, Mathematics) – niet enkel meisjes, maar iedereen die interesse heeft. Zo hebben we meegewerkt aan het Nerdland‑wereldrecord (waar de langste robotketen ooit gebouwd werd), veel talks gegeven en een robotica‑box ontwikkeld met de VUB die Brusselse scholen kunnen uitlenen.
Naar welke projecten kijk je uit in 2026?
Ik ben net professor en stel mijn team en onderzoekslijnen samen. Dat betekent vooral projecten aanvragen. Het is een speciale fase: alles kan nog, en ik ben nog wat zoekende over welke richtingen ik precies ga uitwerken. Ik wil alleszins meer werken rond slimme structuren die zichzelf kunnen aanpassen, met niet‑lineair en soms bistabiel gedrag. Je kunt via de interne structuur van een materiaal — vergelijk het met de “cellen” van een spons — eigenschappen sterk veranderen zonder de chemie aan te passen.
Wat is de grootste uitdaging in een functie zoals de jouwe?
Funding verzamelen. Er wordt bespaard, ook aan universiteiten, en de competitie voor onderzoeksmiddelen neemt toe. Als ingenieurs hebben we het voordeel makkelijker met bedrijven te kunnen samenwerken, maar het blijft uitdagend.
Je schreef je enkele jaren geleden in voor de ESA‑astronautenselectie. Wat trekt je aan de ruimte?
Ruimte fascineert me al lang: als kind had ik al een boek van de Belgische astronaut Frank De Winne. Er waren echter 20.000 Europese kandidaten en ik heb jammer genoeg de finale selectie niet gehaald. Ik heb gekandideerd omdat ik interesse heb in ruimte als wetenschapper, niet als toerist. Toeristische vluchten stoten veel uit en brengen weinig bij terwijl onderzoek in de ruimte wel enorm veel kan bijdragen.
Lees ook: Hoe de ruimtevaart een bron van inspiratie kan zijn
