Inschrijven nieuwsbrief

Inschrijven nieuwsbrief

Abonnement Magazine

Media: achter de fusie van Rossel en IPM en het dalende lezersbereik woedt de strijd om de financiering van nieuws

De jongste bereikcijfers van het CIM bevestigen dat verschillende Franstalige kranten lezers verliezen, al houden Le Soir en L’Avenir beter stand dan hun concurrenten. Dit jaar krijgen die cijfers echter een bijzondere betekenis. De Franstalige Belgische pers staat voor een ongeziene periode in haar recente geschiedenis: concentratie rond Rossel, onzekerheid over de financiering van de distributie, hervorming van de overheidssteun, druk van platformen en voortaan ook van artificiële intelligentie. Achter de strijd om het bereik schuilt in werkelijkheid die om het economische model van de nieuwsvoorziening.

Op het eerste gezicht zijn het niet meer dan bereikcijfers. Hier enkele procenten winst, elders enkele tienduizenden lezers minder. Maar de nieuwe Belgian Publishing Survey van het CIM verschijnt op een moment waarop de Franstalige Belgische pers aan de vooravond staat van een transformatie die wellicht nog ingrijpender wordt dan die na de komst van het internet.

Het algemene beeld is niet rampzalig, maar wel duidelijk genoeg om de trend te bevestigen. Volgens de gegevens van het Centrum voor Informatie over de Media komt 53,4% van de Belgen nog dagelijks in contact met minstens één nieuwsmerk van een krant. Over een periode van een maand raadpleegt 91,3% minstens één nieuwsmerk. De pers is dus niet uit het leven van de Belgen verdwenen. Verre van zelfs. Maar de manier waarop ze die consumeren, verandert snel.

Aan Franstalige kant daalt het dagelijkse bereik van kranten op papier en in pdf-formaat globaal met ongeveer 2%, tot zowat 1,56 miljoen lezers. Wanneer alle kanalen worden meegerekend – papier, pdf, websites, apps en video –, bedraagt de daling ongeveer 3,2%, tot iets minder dan twee miljoen dagelijkse lezers.

Le Soir en L’Avenir houden stand, Sudinfo en DH gaan achteruit

Le Soir en L’Avenir zijn de twee Franstalige titels die op langere termijn vooruitgang boeken. Le Soir bereikt nu naar eigen zeggen ongeveer 844.000 dagelijkse lezers over alle kanalen heen. L’Avenir komt met zijn verschillende kanalen boven 600.000 lezers uit en ziet zijn bereik op papier en via digitale pdf over drie jaar met 4,9% stijgen tot bijna 442.000 lezers.

Die prestatie valt des te meer op omdat de krant uit Namen net een van de titels is waarvan de economische toekomst meespeelde in de toenadering tussen Rossel en IPM.

De cijfers tonen daarentegen een duidelijke terugval bij verschillende andere merken. Over drie jaar daalt Sudinfo met ongeveer 6% voor papier en pdf, terwijl DH/Les Sports ongeveer 10% prijsgeeft. Ook La Libre gaat met 4,7% achteruit. De evolutie van L’Echo is moeilijker te interpreteren: de CIM-studie wijst op een daling, terwijl het aantal betalende abonnees blijft toenemen.

Die laatste situatie wijst bovendien op een noodzakelijk voorbehoud: het CIM meet bereik via een enquête en niet rechtstreeks het aantal abonnementen. Bij titels met een kleiner bereik kunnen de statistische schommelingen dan ook groot zijn.

Over de algemene beweging bestaat echter weinig twijfel. De pers bereikt nog altijd heel veel mensen. Het wordt moeilijker om dat bereik om te zetten in inkomsten waarmee redacties duurzaam kunnen worden gefinancierd.

Dat is precies het verschil tussen een bereikcrisis en een crisis van het economische model. Het is die tweede crisis die uitgevers vandaag zorgen baart.

Een paradox: media worden veel geraadpleegd, maar zijn economisch verzwakt

De situatie lijkt haast paradoxaal.

Nooit eerder hadden burgers toegang tot zoveel journalistieke inhoud. De gevestigde merken blijven een aanzienlijk deel van de bevolking bereiken en hun artikels circuleren op grote schaal via zoekmachines, sociale media en voortaan ook door artificiële intelligentie aangedreven interfaces. Maar een groeiend deel van de waarde die met die inhoud wordt gecreëerd, ontsnapt aan de producenten ervan.

Decennialang steunde het economische model van de pers hoofdzakelijk op twee pijlers: de lezer kocht de krant en adverteerders betaalden om dat publiek te bereiken. Het internet heeft beide pijlers geleidelijk ondermijnd.

Een groot deel van de advertentiemarkt is verschoven naar Google, Meta en andere grote digitale platformen, de bekende GAFAM-bedrijven. Tegelijk heeft de gewoonte om online nieuws gratis te raadplegen het veel moeilijker gemaakt om digitale lezers tot een abonnement te bewegen. Uitgevers reageerden met paywalls, digitale abonnementen, video, newsletters, podcasts, evenementen en commerciële diversificatie. Sommige slagen daar beter in dan andere. Maar de massamarkt is veel moeilijker geworden.

Artificiële intelligentie opent nu een nieuw front

Boven op die eerste digitale revolutie komt nu een tweede: die van de artificiële intelligentie. Uitgevers waren al een deel van hun advertentie-inkomsten kwijtgeraakt aan platformen. Nu vrezen ze ook een deel van het verkeer te verliezen dat diezelfde platformen nog naar hen doorstuurden. “Sinds het gebruik van AI algemeen ingang vindt, zagen we het digitale bereik snel met minstens 20% dalen. Als er niets verandert, valt te vrezen dat die ontwikkeling nog zal versnellen”, benadrukt een specialist in digitale media.

Zo veranderen zoekmachines geleidelijk in antwoordmachines. Het economische probleem is duidelijk: als een medium een journalist betaalt om onderzoek te doen, informatie te controleren en een artikel te schrijven, maar een platform die informatie vervolgens gebruikt om de gebruiker rechtstreeks een antwoord te geven, kan de redactionele waarde worden geconsumeerd zonder dat de lezer ooit de website van het medium bezoekt.

Rossel-IPM: een ongeziene concentratie

Tegen die achtergrond wordt de grote omwenteling in het Franstalige medialandschap voorbereid. Op 3 juli jongstleden gaf de Belgische Mededingingsautoriteit onder voorwaarden groen licht voor de overname van de persactiviteiten van IPM door Rossel. Het nieuws werd bekendgemaakt door Forbes.be. Door de operatie komen Le Soir, Sudinfo, La Libre, DH/Les Sports en L’Avenir, samen met een reeks andere publicaties, onder dezelfde controle.

De concentratie is uitzonderlijk.

De Mededingingsautoriteit heeft het probleem niet genegeerd. Ze stelde risico’s vast op het verdwijnen van titels, het gelijkschakelen van de inhoud en het beperken van de redactionele onafhankelijkheid. Ook zou de toekomstige groep een bijzonder sterke positie verwerven op de journalistieke arbeidsmarkt. Daarom koppelde ze een reeks verbintenissen aan haar goedkeuring.

Rossel moet onder meer de identiteit en het redactiestatuut van de belangrijkste titels beschermen, de uitwisseling van inhoud beperken – met een ruimere uitzondering voor sport – en de middelen behouden die nodig zijn om onafhankelijk te functioneren. Een titel mag alleen worden stopgezet als tegenover de Autoriteit kan worden aangetoond dat het economisch niet langer redelijk is om hem te behouden. Ook moet een extern toezichtsmechanisme erop toezien dat die verbintenissen worden nageleefd. De closing van de operatie wordt nu tegen het einde van het jaar verwacht. Maar op het terrein zijn de grote manoeuvres al begonnen.

In Namen bereidt L’Avenir de toenadering tot Sudinfo al voor

Een van de gevoeligste dossiers heeft betrekking op L’Avenir. De medewerkers van de krant uit Namen moeten verhuizen naar de vestiging van Sudinfo in Bouge, bij Namen. Een delegatie van L’Avenir heeft het gebouw en de ruimte die voor de journalisten is bestemd al bezocht.

De anekdote zou grappig kunnen zijn als ze bepaalde bezorgdheden niet zo treffend samenvatte: verschillende leden van de delegatie vonden de voorziene ruimte bijzonder, en zelfs té, klein. Dat vastgoeddetail is uiteraard van ondergeschikt belang.

Maar het maakt een veel belangrijkere realiteit tastbaar. De toenadering tussen L’Avenir en Sudinfo zou leiden tot een sociaal plan dat volgens de eerste uitgelekte informatie een vijftigtal mensen kan treffen. Voorlopig onderzoekt Rossel hoe de financiële en digitale teams van L’Avenir in de structuur van Rossel kunnen worden geïntegreerd. “Mensen die op die afdelingen werken, is gevraagd om bij Rossel te solliciteren”, vertelt een interne bron ons.

Rossel komt daar overigens openlijk voor uit. De groep plant synergieën op het vlak van IT, financiën, publicatietools, reclameregies en bepaalde redactionele diensten.

Wanneer ook de overheid deel wordt van de vergelijking

De transformatie van de sector zou al complex zijn als ze alleen de uitgevers en hun lezers betrof. Maar een derde partij is inmiddels onmisbaar geworden: de overheid.

De Franstalige pers ontvangt al lange tijd rechtstreekse steun van de Federatie Wallonië-Brussel. Het budget bedraagt vandaag ongeveer €12,8 miljoen per jaar en Rossel en IPM waren al vóór hun toenadering de voornaamste begunstigden. In 2024 ontvingen beide groepen samen bijna €12 miljoen.

De fusie verandert uiteraard de aard van het debat. In de toekomst zou een zeer ruime meerderheid van die steun via verschillende titels kunnen terechtkomen bij ondernemingen die tot dezelfde groep behoren. Het huidige systeem werd echter aan het begin van de jaren 2000 ontworpen, in een medialandschap dat vandaag vrijwel niet meer bestaat.

Facebook bestond nog niet. YouTube evenmin. Google was nog maar een van de vele zoekmachines. De smartphone was nog niet uitgevonden. ChatGPT en AI-zoekmachines die honderden artikels onmiddellijk kunnen samenvatten, behoorden nog tot de sciencefiction.

Minister van Media Jacqueline Galant wil die regeling nu volledig herbekijken.

43 mensen worden gehoord om de perssteun te hervormen

Deze dinsdag starten in het Parlement van de Federatie Wallonië-Brussel de hoorzittingen over de toekomst van de geschreven pers en de overheidsmechanismen die haar ondersteunen.

Het proces zal meerdere maanden duren. Academici, uitgevers, journalisten, vertegenwoordigers van de distributiesector, spelers uit de advertentiewereld, toezichthouders en andere specialisten zullen worden gehoord. De doelstelling gaat veel verder dan een eenvoudige herziening van de bedragen.

Er moet worden bepaald wat de overheid nog moet financieren, volgens welke criteria en vooral met welke doelstelling.

Moeten vooral de historische structuren steun blijven krijgen? Moet meer rekening worden gehouden met het aantal journalisten in dienst? Met de productie van eigen nieuws? Met het aantal abonnees? Met de digitale transitie? Met de regionale aanwezigheid? Moet het systeem verder worden opengesteld voor nieuwe, uitsluitend digitale media? En vooral: hoe kan de pers worden ondersteund zonder de markt te betonneren in het voordeel van de spelers die haar al domineren?

Kan de steun aan een dominante groep nog fors worden verhoogd?

Dat is waarschijnlijk een van de gevoeligste debatten die de politiek te wachten staan. De noodzaak om de nieuwsproductie economisch te ondersteunen, valt moeilijk te betwisten. Journalistiek kost veel geld: redacties, correspondenten, onderzoekswerk, factchecking, fotografie, video, digitale infrastructuur, cyberbeveiliging, advocaten…

Technologieplatformen maken massaal gebruik van die productie zonder het grootste deel van de kosten te dragen. Maar een aanzienlijke verhoging van de overheidssteun voor de pers na de concentratie van Rossel en IPM roept andere vragen op.

In de eerste plaats is er het pluralisme. Een mechanisme dat vooral de dominante speler versterkt, zou het paradoxaal genoeg nog moeilijker kunnen maken voor nieuwe concurrenten om door te breken.

Daarnaast zijn er de Europese regels voor staatssteun. Steun moet een doelstelling van algemeen belang nastreven, gebaseerd zijn op transparante en evenredige criteria en mag geen ongerechtvaardigde verstoring van de concurrentie veroorzaken.

De tikkende tijdbom van de distributie

Naast deze Franstalige discussie speelt nog een ander dossier, ditmaal op federaal niveau: de distributie van kranten. De overheidsconcessie waarmee bpost de dagbladen historisch met staatssteun kon verdelen, werd onder de regering-De Croo afgeschaft.

Een tijdelijk belastingkrediet kwam ervoor in de plaats. Maar dat loopt aan het einde van dit jaar af.

Een verlenging is allesbehalve gegarandeerd. De Vlaamse partijen in de federale meerderheid staan er bijzonder terughoudend tegenover. De Vlaamse markt is minder afhankelijk van de regeling en de federale begrotingssituatie maakt elke nieuwe uitgave politiek moeilijk.

Voor de Franstalige uitgevers is het probleem nochtans aanzienlijk. Een krant verdelen in een dichtbevolkt gebied kost uiteraard veel minder dan meerdere kilometers afleggen tussen twee abonnees in bepaalde landelijke gebieden in Namen of Luxemburg.

Dat maakt het dossier onder meer voor L’Avenir bijzonder gevoelig.

“Over drie jaar maken we geen papieren kranten meer”

Bernard Marchant koos ervoor om de ernst van de kwestie scherp in de verf te zetten.

In september waarschuwde de CEO van Rossel dat zijn groep tegen 2029 eenvoudigweg zou kunnen stoppen met het drukken van dagbladen als het belastingkrediet zonder vervangende oplossing verdwijnt. “Als dit belastingkrediet stopt, maken we over drie jaar geen papieren kranten meer! Als we ze niet meer kunnen verdelen, stoppen we ermee”, zei hij in het Waals Parlement. Hij raamde de waarde van de regeling voor Wallonië op ongeveer €11 miljoen.

Marchant verwees ook naar zowat 200 directe en indirecte banen die met het drukwerk verband houden, en naar een mogelijke prijsstijging van maximaal €150 per jaar voor bepaalde abonnementen als de extra kosten aan de lezers zouden worden doorgerekend. Een drukmiddel of een scenario dat werkelijk wordt overwogen?

Waarschijnlijk een beetje van beide. De “dreiging” is geloofwaardig genoeg om ernstig te worden genomen. Ze komt er bovendien op een moment waarop Rossel voor de politiek haast de onvermijdelijke gesprekspartner wordt zodra het over de Franstalige dagbladpers gaat.

Wordt de RTBF de nieuwe sluitpost?

Een andere strijd tekent zich al af: die om de financiering van de RTBF.

Binnen de MR vinden sommige kopstukken dat de Federatie Wallonië-Brussel nog verder kan snoeien in de middelen voor de openbare omroep en tegelijk meer middelen kan besteden aan de private geschreven pers.

MR-parlementslid Olivier Maroy, voormalig journalist bij de openbare omroep, verwoordde het duidelijk in een interview met La Libre. Volgens hem heeft de RTBF zich “veel te veel versnipperd” en zou ze haar activiteiten kunnen terugschroeven, terwijl extra middelen naar de ondersteuning van de pers gaan.

Het argument van de private uitgevers is bekend: wanneer de RTBF gratis honderden nieuwsartikels op haar website publiceert, concurreert ze met ondernemingen die internetgebruikers net proberen te overtuigen om voor dat soort inhoud te betalen.

Maar het idee van een verdere overdracht ligt politiek gevoelig. Les Engagés wil niet dat de RTBF, waarvan de middelen bij de jongste begrotingsbesprekingen van de Federatie Wallonië-Brussel al werden verlaagd, opnieuw als sluitpost dient.

Het belangrijkste cijfer van het CIM is misschien niet wat we denken

Dat maakt de jongste resultaten van het CIM uiteindelijk zo interessant. We zouden kunnen onthouden dat Sudinfo lezers verliest, dat DH sterk achteruitgaat of dat Le Soir en L’Avenir beter standhouden. Maar het belangrijkste cijfer staat misschien elders.

53,4% van de Belgen raadpleegt nog elke dag een nieuwsmerk van een krant. En 91,3% doet dat minstens één keer per maand.

De behoefte aan nieuws is met andere woorden niet verdwenen. Het publiek evenmin. Wat wel aan het verdwijnen is, of minstens achterhaald raakt, is het economische systeem waarmee dat nieuws kon worden gefinancierd. De komende maanden worden dan ook bepalend.

Achter al die discussies schuilt een vraag die de cijfers van het CIM niet kunnen meten. Niet hoeveel mensen over vijf jaar nog de Belgische pers zullen lezen, maar wie de journalisten zal financieren die maken wat ze lezen.

Latest article