Inschrijven nieuwsbrief

Inschrijven nieuwsbrief

Abonnement Magazine

Paul Grosjean: ‘Brussel is een stad vol verborgen schatten. Je moet ze gaan zoeken’

Journalist, conferencier en oprichter van het label Trésors de Bruxelles, Paul Grosjean publiceert Entre murs et jardins (fotografie van Mireille Roobaert, Uitgeverij Aparté), een boek gewijd aan het residentiële erfgoed van Brussel. Van art-nouveau herenhuizen tot verdwenen woningen, van bruxellisatie tot het Stocletpaleis, hij schetst een portret van een hoofdstad die haar eigen rijkdommen nog steeds niet volledig erkent.

Paul Grosjean is geen historisch opgeleide, maar een verhalenverteller van erfgoed. Zoon van Pierre Grosjean, oprichter van de Belgische Esthetische Liga in 1954 (een van de eerste belangengroepen voor erfgoed in België), zet hij de familietraditie voort met andere middelen: de pen, de conferentie, het verhaal. Voormalig hoofdredacteur van het tijdschrift Lobby en bijdrager aan Forbes België, heeft hij met Tussen muren en tuinen een uitgebreide versie samengesteld van een reeks gepubliceerd in La Libre Belgique, verrijkt met zes nieuwe hoofdstukken en het fotografisch oog van Mireille Roobaert.

Forbes.be – Waar komt die passie voor het Brusselse erfgoed vandaan?
Paul Grosjean – Het is een familieaangelegenheid. Mijn vader, Pierre Grosjean, richtte in 1954 de Belgische Esthetische Liga op. In die tijd bestond er geen enkele belangengroep, geen buurtcomité om het erfgoed te verdedigen. Het prestigieuze Quartier des Arts, dat velen als een referentie beschouwen, dateert pas van 1967, na de sloop van de Volkshuis. Mijn vader stond echt alleen. Hij was ingenieur en vocht met de instrumenten van politieke druk. Ik gebruik mijn eigen instrumenten: schrijven en conferenties. Mijn streven is om het erfgoed populair te maken, toegankelijk voor het grote publiek. Ik probeer geen architectuurgeschiedenisles te geven. Wat me interesseert, is het verhaal. Achter elke woning schuilt een menselijk avontuur: families, architecten, burgerbewegingen. Hotel Solvay vertelt het verhaal van een zekere elite. Park Tenbosch is een voorbeeld van burgerinzet. Leopold II en het domein van Laken, waarvan de bouw zich over drie decennia uitstrekte, is op zich al een meeslepend verhaal.

© Mireille Roobaert

– Wat onderscheidt het Brusselse erfgoed fundamenteel van dat van andere grote Europese hoofdsteden?
Twee belangrijke verschijnselen. Allereerst de bruxellisatie: we hebben enorm veel erfgoed vernietigd. Daarna het stedelijk chaos. Brussel is het tegenovergestelde van Parijs. Parijs is haussmanniaans, lineair, spectaculair. Brussel is het omgekeerde. De Louizalaan is het opvallendste voorbeeld. Rond 1900 was het de mooiste laan van Brussel, een promenade omzoomd met de mooiste residenties, die het stadscentrum verbond met het Ter Kamerenbos. Maar daarna werd het omgevormd tot een stadsautoweg voor de Expo 58. Wat mij vooral verbaast, zijn de onderbrekingen in formaat. In Parijs staan de haussmanniaanse gebouwen allemaal op hetzelfde niveau. In Brussel kun je een verborgen schat vinden tussen twee lelijke gebouwen. Dat is het Brusselse kenmerk: verborgen juweeltjes, maar je moet ze zoeken.

– Zijn de Brusselaars zich bewust van de rijkdom van hun stad?
Niet genoeg. De Brusselaar heeft geen stedelijke geest. Het is eerder een dorpsbewoner in de stad. De Ucclaan is trots op Ukkel, de Boitsfortaan op Boitsfort. Brussel is opgedeeld in autonome gemeenten, een juxtapositie van dorpen. Mijn ambitie is om de Brusselaars trots te maken en ervoor te zorgen dat ze de vertegenwoordigers van hun stad worden. Brussel heeft een uitzonderlijk rijk groen erfgoed. Helaas vinden de Brusselaars het normaal om het Ter Kamerenbos naast de deur te hebben. Een Parijzenaar zou dat heel anders zien. Het zijn vaak Fransen die in Brussel wonen die ons de ogen openen. In mijn boek spreek ik zowel over Anderlecht als Molenbeek, juist om het beperkte imago van deze gemeenten te doorbreken en te laten zien dat erfgoed overal is.

© Mireille Roobaert

– De art nouveau is in Brussel geboren. Waarom putten de Belgen daar niet meer trots uit?
Overtollige bescheidenheid. De art nouveau, wereldwijd, is ontstaan in een paar straten nabij het Louizaplein, in de Delta-wijk. Het is fascinerend dat we geografisch en temporeel de geboorte van een kunststroming zo nauwkeurig kunnen lokaliseren. Hector Guimard, de beroemdste art-nouveau architect in Parijs, zei zelf in shock te zijn na het zien van het Tasselhuis van Victor Horta. Maar de Belgen zeggen dit niet genoeg. Gelukkig zijn er initiatieven zoals het jaar van de art nouveau, het jaar van de art deco, het BANAD. Dat is heel goed. Maar Victor Horta zou niet de boom moeten zijn die het bos verbergt. Begin 20e eeuw stond België in de top 5 van de wereldwijde industrie. Op het gebied van architectuur en kunst zijn we absoluut niet onopmerkelijk.

– Veel van deze schatten blijven onbereikbaar voor het publiek. Is dat niet een grote belemmering voor de waardering van erfgoed?
Het is mijn frustratie. Neem twee symbolische gevallen. Ten eerste het Stocletpaleis. Dit is een privéwoning, en dat principe respecteren we. Maar het is een UNESCO-goed, het meesterwerk bij uitstek van de Oostenrijkse art nouveau. Het paradoxale is dat, wanneer je op de werelderfgoedlijst staat, je een beetje van het publiek wordt. Er is onder de Stoclet-afstammelingen geen enkel project voor openstelling. We zouden zeer strikte voorwaarden kunnen overwegen, zoals in het Hotel Solvay: sloffen, handschoenen, geen foto’s. Maar niets. Dat is zo jammer. Er bestaat een traditie: als er een gerenommeerde architect naar Brussel komt, brengen ze hem naar het Stocletpaleis. Jean Nouvel heeft het bezocht, in een zeer beperkte context. Dat bewijst dat een erfgoed van dergelijke zeldzaamheid niet eeuwig gesloten kan blijven. Tweede geval: het Errera hotel, de residentie van de Vlaams minister-president. Dit gebouw is eigendom van een publieke autoriteit en blijft toch ontoegankelijk. We zouden het enkele dagen per jaar kunnen openen, zoals het Koninklijk Paleis tijdens de Open Monumentendagen. De juiste methode is het dialoog tussen publiek en privé om een geschikt project voor iedereen te definiëren.

© Mireille Roobaert

– Uw boek bevat ook verdwenen gebouwen: het Hotel d’Ursel, de Coudenberg. Waarom deze keuze?
Het was een wens van de uitgeverij om het ritme te breken en aan bruxellisatie te herinneren. De Coudenberg is een apart geval: een brand in de Oostenrijkse tijd. Maar het was een van de tien mooiste paleizen van Europa, een ware schatkamer geërfd van de hertogen van Brabant en Bourgondië. België is echt een kunstland. En bijna alles is verbrand. De drie andere voorbeelden zijn praktische voorbeelden van bruxellisatie. Het Hotel Aubecq, ontworpen door Victor Horta, werd in 1950 gesloopt om een appartementencomplex te bouwen. Voor mij begint de bruxellisatie niet met het Volkshuis in 1965, maar vijftien jaar eerder met het Hotel Aubecq. Het Hotel d’Ursel was een 18e-eeuws juweeltje, een Franse architectuur, een absoluut meesterwerk. Het werd in 1960 gesloopt om het Westbury hotel te bouwen, dat op zijn beurt ook werd gesloopt. En er is niet eens een gedenkplaat ter plaatse. Dat is Brussel. Ik wilde niet alleen positief zijn: we moeten eraan herinneren wat we hebben vernietigd.

– Hoe is het duo met fotografe Mireille Roobaert ontstaan?
Zij geeft een andere dimensie aan het boek. Ik ben de pen, zij is het oog. Ze heeft de capaciteit om de ziel van een plek te vangen. Haar foto’s van het Chinese paviljoen zijn buitengewoon. In het huis van Maurice Carême in Anderlecht werd ze verliefd. Wanneer je in dat museum stapt, is het alsof je zijn huis van vijftig jaar geleden betreedt. Het interessante van haar werk is ook dat ze door middel van fotografie bijna ontoegankelijke plaatsen opent voor het publiek. De coverfoto, genomen in de eetkamer van het Van Buuren museum, illustreert perfect de titel van het boek. Ze slaagt erin het menselijke aspect te vangen door haar lens. Het is een beetje paradoxaal, maar dat maakt het opmerkelijk.

© Mireille Roobaert

– Hebben we lessen getrokken uit de bruxellisatie?
Mijn antwoord is behoorlijk positief. Urban Brussels, de administratie van stedenbouw en erfgoed, heeft een opmerkelijk inventarisatie werk verricht. De site patrimonium.brussels is een uitzonderlijke informatiebron: je zoekt een gebouw op met zijn adres en een fiche verschijnt. Ook de Koninklijke Commissie voor Monumenten verdient lof. Misschien zijn we van het ene uiterste naar het andere gegaan: van een tijd waarin we grenzeloos sloopten naar een tijd waarin we misschien te snel bepaalde gebouwen blokkeren. Het is een klassieke slingerbeweging. Als ik een verwijt zou moeten maken, is dat deze instellingen niet genoeg communiceren. Maar elke keer als ik informatie vraag, wordt het met beschikbaarheid verstrekt. En Brussel is een culturele toeristische bestemming geworden, met name dankzij de art nouveau. Vooral Fransen maken steeds vaker mini-reizen naar Brussel om deze reden.

– Wat is uw perspectief voor de toekomst?
De tweehonderdste verjaardag van België in 2030 is een belangrijke mijlpaal. De koninklijke familie loopt als een rode draad door vrijwel het gehele residentiële erfgoed van Brussel: de Errera’s, de Solvay’s, Val Duchesse, het domein van Laken. Dat is een boeiende rode draad. Ik heb een bijzondere zwakte voor het domein van Argenteuil. Ferdinand Meeûs, die het creëerde, was voor mij de machtigste man van België na Leopold I: gouverneur van de Société Générale, een staat binnen de staat. De Generale had als kapitaal grond, waaronder het Zoniënwoud, een economische troef. Ze verkochten percelen om de industrialisatie te financieren. Op dat moment verwierven sommige families deze gronden, waardoor domeinen zoals Argenteuil ontstonden, die op zijn hoogtepunt 780 hectare omvatte. Vandaag breidt de koninklijke muziekkapel Koningin Elisabeth zich daar uit, met kunstenaarsresidenties. De geschiedenis gaat verder. En dan is er Val Duchesse. Het was op het domein van Val Duchesse dat het Verdrag van Rome werd onderhandeld, dat de Europese Unie stichtte. Alles speelde zich in België af, dankzij Paul-Henri Spaak. De ondertekening vond plaats in Rome voor de nageslacht, maar het gebeurde echt hier. Niets is ooit zeker in Brussel: het Tournay-Solvay park, door specialisten beschouwd als het mooiste openbare park van Brussel, stond begin jaren 80 op het punt te verdwijnen. Burgerengagement redde het.

Mireille Roobaert: ‘Ik reis door mijn stad’

Architectuurfotograaf Mireille Roobaert, actief meer dan dertig jaar, heeft de wereld rondgereisd alvorens haar lens op Brussel te richten. In Tussen muren en tuinen biedt ze de lezer visueel toegang tot locaties die vaak voor het publiek gesloten zijn.

Forbes.be – Na decennia van fotografie over de hele wereld richt u zich op Brussel. Waarom deze terugkeer naar de bron?
Mireille Roobaert – Ik houd ervan om nu door mijn stad te reizen, de plek waar ik ben geboren. Al deze gebouwen maken deel uit van de geschiedenis die mijn grootouders, mijn ouders en ik hebben gekend. Het is alsof de geschiedenis van Brussel mijn persoonlijke geschiedenis kruist. Hier is het geen commercieel werk dat het project van een architect benadrukt. We benadrukken de geschiedenis van de plek en de bijdrage ervan aan onze collectieve geschiedenis. Mijn plezier wordt vergroot wanneer het om plaatsen gaat die ontoegankelijk zijn voor het grote publiek, zoals Val Duchesse. Het is alsof je de sleutels van bepaalde locaties geeft. Ik vind dat vrij magisch.

– Van alle bezochte locaties, welke heeft de meeste indruk op u gemaakt?
Val Duchesse. In dit kasteel werd het Verdrag van Rome onderhandeld, hier werd Europa geboren. Toen ik in die kamer stond, voelde ik iets bijzonders. Het gaat verder dan de geschiedenis van je land, het is heel Europa. Er is een connectie met het verhaal. Dat is echt niet triviaal.
En dan het Maurice Carême museum in Anderlecht. Ik was in zijn huis, ik zag zijn stoel in de keuken, zijn bril op zijn bureau, de kleine mechanische kalender gestopt op de dag van zijn overlijden. De conservator, François-Xavier Lavenne, declameerde een gedicht uit het geheugen in de keuken zelf waar het was geschreven. Maurice Carême, dat is de jeugd van alle Belgen. En mensen weten niet dat dit museum bestaat.

– Is de blik op het Brusselse erfgoed geëvolueerd?
Er is een veel meer aanwezige erfgoedbewustzijn dan voorheen. We behouden beter, inclusief het modernisme. Belgische toparchitecten worden in de schijnwerpers gezet. We gaan de fouten uit het verleden niet meer maken. Kijk naar het Egidium, in transformatie met Lionel Jadot, of het Koninklijk Conservatorium voor muziek: 20.000 m² gegeven aan muzikale creatie. De autoriteiten, stichtingen, bedrijven investeren. De stad is het decor van ons bestaan. Van mijn kant realiseer ik fine art prints in zeer beperkte oplage waarvan een deel van de verkoop de erfgoedrenovatie financiert, zoals bij het Conservatorium. Paul schrijft met woorden, ik schrijf met licht. Het is een aanvulling, de juiste balans.

 

Martin Boonen
Martin Boonen
Martin Boonen is een gediplomeerd journalist van het Institut de Journalisme de Bruxelles (2012). Hij heeft samengewerkt met tal van redacties, in uiteenlopende functies gaande van journalist en rubriekshoofd tot eindredacteur en hoofdredacteur – zowel voor digitale media als de geschreven pers. Met een uitgesproken expertise in startups en sociaal geëngageerd ondernemerschap, werd hij in 2025 benoemd tot hoofdredacteur van de Belgische website van Forbes. Sinds 2011 is hij aangesloten bij de Organisation de la Presse Périodique (OMPP).

Latest article