Stéphanie Busuttil-Janssen was de partner van beeldhouwer César van 1989 tot zijn dood in 1998. Ze woont nu in Brussel, waar ze zich aan zijn werk wijdt.
Stéphanie Busuttil-Janssen verwelkomt ons in het kantoor van de Fondation César, waar ze in volmaakte stilte rondwandelt. Ons gesprek begint onder het waakzame oog van gipsen beelden die verwant zijn aan Hommage à Léon en Vénus de Villetaneuse. Op een sofa ligt de lay-out van de nieuwe oeuvrecatalogus van César, deel I.

In 2021, het jaar waarin de Franse beeldhouwer César zijn honderdste verjaardag zou hebben gevierd, bundelde ze haar krachten met galeriste Almine Rech voor vier tentoonstellingen: in de Parijse galerie van Rech, in het Parijse Picassomuseum, in Picasso’s beeldhouwatelier in het kasteel van Boisgeloup in Gisors, en in New York in de galerie Salon 94, opgericht door Jeanne Greenberg Rohatyn. Deze herfst is het opnieuw Almine Rech die Le Pouce, een duim van 3,50 meter presenteert voor het evenement Hors les murs van Art Basel Parijs. Het is een iconisch werk van de beeldhouwer dat in het midden van de tuin van het Palais Royal prijkt, naast werken van de Egyptisch-Amerikaanse Ghada Amer en de Engelsman Richard Long. Er is ook de presentatie César at first glance, ter gelegenheid van de publicatie van een prachtig boek, uitgegeven door de galerie in samenwerking met de stichting. Het boek geeft een overzicht van de tentoonstellingen waarvoor Stéphanie Busuttil-Janssen als curator optrad.
“Ik heb gekozen voor een mix van werken uit alle periodes van Césars carrière om zijn eigenheid te benadrukken en de unieke plaats die hij in de geschiedenis van de 20ste eeuw inneemt, tussen klassieke traditie en radicaliteit. Ik wilde die verschillende ‘gebaren’ van César illustreren, van de gelaste ijzeren en bronzen beelden tot de Compressies, de Menselijke Afdrukken en de Expansies. Ik geef een overzicht van zijn verschillende projecten zonder me zorgen te maken over chronologie. Zelf liet hij ook nooit een project los. Hij bewoog vrij heen en weer van het ene project naar het andere.”
Ze wilde ook Césars relatie met Picasso onderzoeken, een onderwerp dat nog nooit aan bod was gekomen. “Door de beelden van César te introduceren in Picasso’s beeldhouwatelier in Boisgeloup kunnen we hun relatie opnieuw bekijken. We belichten onder meer de hommages die César vanaf 1955 aan Picasso bracht, met zijn herinterpretatie van de Vénus du Gaz van Picasso. We geven ook een blik op de persoonlijke archieven van de stichting en de foto’s die David Douglas Duncan in de zomer van 1957 maakte in het huis van Picasso in Californië, met Picasso in een lendendoek en César met ontbloot bovenlijf. Het was een gelegenheid om zijn bijzonder mooie gipsen beelden te tonen, die we bijna nooit tentoonstellen om redenen van conservatie, en minder bekende werken als zijn portretten en zelfportretten, die enkele maanden voor zijn dood werden tentoongesteld, ter gelegenheid van zijn terugkeer naar de galerie Claude Bernard in Parijs.”
Onmisbaar voor elkaar
Toen hij nog heel jong was, in Marseille, verdiende César de kost met klusjes. Door de oorlog kon hij zijn opleiding aan de Beaux-Arts in Parijs pas in 1954 afmaken. Als zelfstandig beeldhouwer overleefde hij dankzij de kantine van de Beaux-Arts, een beurs of de Stock Américain. Later, in 1975, vroeg zijn vriend Georges Cravenne, promotor van wat later de César filmprijzen zouden worden, om de emblematische trofee te creëren die van hem een begrip maakte. De beeldjes werden Césars genoemd als een knipoog naar de Oscars en de film César van Marcel Pagnol, een symbool van Marseille, de geboortestad van de beeldhouwer.
In 1989, op 22-jarige leeftijd, ontmoet Stéphanie Busuttil-Janssens César voor het eerst. Ze groeide op in Cannes, niet ver van de Fondation Maeght, het Matisse- en Picassomuseum, ging naar het Lycée Français in Londen. Ze volgde lessen kunstgeschiedenis bij Christie’s en studeerde aan een kunstschool in Parijs. Ze begon haar professionele leven in een persbureau gericht op mecenaat. Het was daar dat ze César ontmoette. “Ik herinner me die dag in maart nog goed. We reisden heen en weer van Parijs naar Antibes met César, de criticus Pierre Restany en de kunstenaar Jacques Martinez. Ik zou die dag nog uur voor uur kunnen beschrijven, maar dat is privé. Toen ik thuiskwam, voelde ik diep van binnen dat die ontmoeting bepalend zou zijn. We zagen elkaar weer, ik bezocht zijn atelier en we gingen vaak samen uit. Het leven van César was niet zoals dat van een gewone man of mensen van mijn leeftijd. Hij was grappig, snel, creatief, buitengewoon en vreemd voor mij. Ik was nog jong natuurlijk. Op een dag, ik weet niet meer wanneer, werden we onmisbaar voor elkaar. We zijn nooit meer van elkaars zijde geweken tot de dag van zijn dood, zondag 6 december 1998.”
Na haar ontmoeting met César ging Stéphanie werken bij de Duitse galerie Karsten Greve, “een zeer goede leerschool”, glimlacht ze. De galerie stelde grote namen van de 20ste eeuw tentoon, zoals Cy Twombly, Lucio Fontana, Piero Manzoni, Louise Bourgeois en vele anderen. “César observeerde me. Op een dag, toen ik niet vrij kon nemen om mee te gaan op een van zijn reizen, vroeg hij me om bij hem in het atelier te komen werken en het over te nemen. Ik verliet de galerie en César werd volledig mijn leven.”
“César was altijd in beweging. Hij had geen tijd te verliezen, met het leven dat hem nog restte”
De laatste tien jaar van het leven van de beeldhouwer waren intens: “César was altijd in beweging. Hij had geen tijd te verliezen, met het leven dat hem nog restte.”
Hij organiseerde talrijke retrospectieven, in zijn geboortestad Marseille, Seoel, Taipei, het Jeu de Paume in Parijs, São Paulo, Mexico, Montevideo, het Palazzo Reale in Milaan, het Zweedse Malmö … Hij exposeerde in Japan, waar hij in 1996 uit handen van de Japanse keizer de Praemium Imperiale voor beeldhouwkunst ontving, de ‘Nobelprijs voor de kunsten’, samen met Cy Twombly (schilderkunst) en Tadao Ando (architectuur). Hij vertegenwoordigde Frankrijk op de Biënnale van Venetië, waar hij een blok Compressies tentoonstelde met de titel 520 ton. “We wisselden het reizen, de exposities en het jachtige ritme van het atelier aan de Rue Roger in het 14de arrondissement van Parijs af met het rustige, teruggetrokken leven in de bronsgieterij in Normandië, waar hij werkte aan gelaste bronzen beelden te midden van een oorverdovend lawaai. César was een onvermoeibare werker.”
“De Stichting is letterlijk het verlengstuk van zijn atelier”

César, een tweede leven
Als erfgename van de rechten op de reproductie, vertegenwoordiging, openbaarmaking en morele rechten wijdt Stéphanie Busuttil-Janssen zich sindsdien aan het werk van César, om het misschien geen eeuwig leven te geven, maar toch een toekomst op lange termijn. Een missie die César haar toevertrouwde. “De Stichting is letterlijk het verlengstuk van zijn atelier. Ze zet zich in om zijn werk te beschermen, ervoor te zorgen dat het gerespecteerd wordt en om zijn nalatenschap wereldwijd te verspreiden. Als houder van de belangrijkste bron van archieven organiseren we tentoonstellingen of werken we eraan mee, we lenen stukken uit aan instellingen, bieden wetenschappelijk en technisch advies, proberen zijn herinnering te bewaren en zorgen voor de bescherming en verspreiding van zijn werk via educatieve hulpmiddelen, boeken, documentaires. Toen ik dit kantoor oprichtte, heb ik verschillende stichtingen bezocht die dezelfde missie hebben. Elke stichting heeft een eigen stijl, telkens ten dienste van een kunstenaar, zijn herinnering en zijn werk. De uitwisselingen hebben me geïnspireerd om te kiezen voor een lichte structuur.”
De Stichting is actiever dan ooit. In de afgelopen vijftien jaar nam ze deel aan talrijke projecten: César, Anthologie door de Franse architect Jean Nouvel in de Fondation Cartier in 2008; César, de Retrospectieve in het Centre Georges Pompidou in Parijs in 2017-2018; en verschillende andere in de Verenigde Staten. César had de VS in de jaren 1950-1960 al veroverd. Hij had er veel verzamelaars en verschillende van zijn werken stonden in het MoMA en andere instellingen, “maar na een tijdje hebben we de VS enigszins verwaarloosd.” Dankzij verschillende New Yorkse galeries heeft César zijn zichtbaarheid op het Amerikaanse continent herwonnen en is hij in enkele mooie collecties terechtgekomen. “Het is inspirerend om te zien hoe nieuwe, jongere internationale verzamelaars zijn werk bekijken met een frisse blik, in historisch perspectief.”
Om César levendig te houden en hem met een nieuw publiek in contact te brengen, heeft Busuttil-Janssen verschillende samenwerkingen aangegaan met modehuizen als Alaïa, Céline en het Amerikaans luxemerk Tiffany. Onvermoeibaar zet ze haar werk voort. In de lente van 2025 plant ze een rondreis langs Japanse musea met werken van César.
“César is ongetwijfeld een tijdloze kunstenaar”, zegt Busuttil-Janssen. “Zijn gebaren zijn verankerd in de kunstgeschiedenis, maar tegelijkertijd blijft de frisheid van zijn werk intact. Zijn thema’s – hergebruik, recycling en de auto – staan nog altijd centraal in ons leven.”
