Bijna vier eeuwen lang was het Kasteel van Hingene de geliefde zomerresidentie van de familie d’Ursel. Elke zomer trok de hertog er met zijn familie en personeel naartoe. Vandaag is het kasteel eigendom van de Provincie Antwerpen, die ambitieuze plannen koestert voor het domein.
In hun prachtige boek Hôtel d’Ursel (Éditions CFC) schetsen Koen De Vlieger-De Wilde en Serge Migom het fascinerende parcours van een van de invloedrijkste adellijke families van België. Eeuwenlang wisselde de familie d’Ursel jaarlijks van verblijf: zomers in Hingene, winters in Brussel. De familie is al sinds 1590 in een herenhuis aan de Brusselse Houtmarkt gevestigd en ontpopte zich tot een vaste waarde binnen de Belgische adel, naast namen als Arenberg, Merode, Lannoy en Croÿ.
De ambitie van de eerste hertog
De grandeur van de familie d’Ursel begon al bij de eerste hertog, Conrad Albert d’Ursel (1665–1738). Dankzij een aanzienlijke erfenis kwam hij aan het hoofd te staan van een indrukwekkend patrimonium, met het kasteel van Hingene als kroonjuweel. Hij was verliefd op de plek en had grootse plannen. Zo gaf hij Jean Beausire (1651-1743), de hofarchitect van de Franse koning, de opdracht om het gebouw te transformeren tot een moderne, modieuze residentie die paste bij zijn status van hertog.
“De herinrichting van het kasteel van Hingene in 1761 had één duidelijk doel: imponeren”
Een neoklassiek meesterwerk
Een halve eeuw later deed het neoclassicisme zijn intrede. Charles d’Ursel (1717–1775), de tweede hertog, nam voor verdere verbouwingen Giovanni Niccolò Servandoni (1695–1766) in de arm, een gevierd architect en meester in theaterdecors. In werkelijkheid was het belangrijkste doel van de verbouwingen van Hingene in 1761 om te imponeren. Opdracht volbracht, want dat doet het kasteel, met zijn elegante neoklassieke lijnen, anno 2025 nog altijd.
In de negentiende eeuw waren de grote verbouwingen grotendeels afgerond. Het interieur bleef zich wel aanpassen aan de smaak van de tijd. Alleen het park onderging nog een ingrijpende metamorfose. Daarvoor deed Joseph d’Ursel (1848–1903), de zesde hertog, een beroep op Edouard Keilig (1827–1895). De Duits Brusselse landschapsarchitect ontwierp ook het Ter Kamerenbos.
In 1973 nam Henri d’Ursel (1900–1974), de achtste hertog, een ingrijpende beslissing. Hij verkocht het kasteel en het park. Het domein kwam zo in handen van de gemeente Hingene en na de fusie van 1977 in die van de gemeente Bornem. Daarop volgde de Vlaamse Gemeenschap en op 10 juli 1984 werd het geklasseerd als beschermd monument. In 1994 kocht de Provincie Antwerpen het complex terug. Zo kon ze dit provinciale juweeltje met veel passie restaureren. Vandaag schittert het kasteel opnieuw, het is zorgvuldig gerestaureerd en open voor het publiek. Het is een plek waar geschiedenis en erfgoed samenkomen en waar de grandeur van de familie d’Ursel weer voelbaar is voor iedereen die de poort van Hingene binnenstapt.
