Inschrijven nieuwsbrief

Inschrijven nieuwsbrief

Abonnement Magazine

Wat de Belg Chris Dercon van plan is met Fondation Cartier

De Fondation Cartier, gevestigd aan de Place du Palais-Royal in Parijs, heeft grootse plannen. Onder leiding van de Belgische directeur-generaal Chris Dercon wil de instelling haar rol als pionier in de hedendaagse kunst verder uitbouwen en tegelijk nieuwe bruggen slaan tussen disciplines, culturen en publieken.

Chris Dercon, geboren in Lier, bouwde de voorbije drie decennia een opmerkelijke internationale carrière uit. Hij begon als kunstcriticus bij De Standaard en groeide uit tot een van de invloedrijkste museumdirecteurs van zijn generatie.

In 1988 werd hij directeur van MoMA PS1 in New York, gevolgd door het Witte de With Centrum voor Hedendaagse Kunst in Rotterdam in 1990. Hij cureerde bovendien het Nederlandse paviljoen op de 46e Biënnale van Venetië. Daarna stond hij aan het hoofd van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam (1995), Haus der Kunst in München (2003) en Tate Modern in Londen (2011-2015). Na een passage bij de Volksbühne in Berlijn werd hij voorzitter van de Réunion des Musées Nationaux – Grand Palais in Parijs. Sinds 2023 leidt hij de Fondation Cartier.

Zijn denken over de museumwereld is al jarenlang richtinggevend. In zijn essay Indiana Jones and the Ruin of the Private Museum (2008) pleitte hij voor een nauwere samenwerking tussen publieke en private musea. Een jaar later schreef hij in L’art en crise dat een interdisciplinaire aanpak vaak balanceert tussen hoge cultuur en massacultuur, als logisch vervolg op de twintigste-eeuwse zoektocht naar het doorbreken van de grens tussen kunst en het dagelijks leven.

Chris Dercon, directeur-generaal van de Fondation Cartier. © Fondation Cartier

Een brug tussen werelden

Dercon omschrijft zichzelf graag als een van de laatste ‘belgicisten’, samen met figuren als David Van Reybrouck en Dries Van Noten. Hij behoort tot een generatie die zich even vanzelfsprekend thuis voelt in de Vlaamse als in de Franstalige cultuur. Die dubbele culturele verankering maakt hem bijna vanzelfsprekend tot een bruggenbouwer.

Ook de Fondation Cartier wil grenzen overstijgen. Onder Dercons leiding wordt die ambitie nog explicieter. Volgens hem onderscheidt de stichting zich doordat ze, ondanks haar band met het luxehuis Cartier, altijd haar onafhankelijkheid heeft behouden.

“De Fondation Cartier is een particuliere instelling voor hedendaagse kunst die altijd onafhankelijk is gebleven van het luxehuis. Daarmee vormt ze een uitzondering. Ze maakt deel uit van een breder ecosysteem van culturele fondsen in Frankrijk en Europa, zoals Fondation Louis Vuitton, de Pinault Collection, Lafayette Anticipations en Fondation Pernod Ricard.”

Van bij haar oprichting koos de stichting voor een uitgesproken interdisciplinaire aanpak. Naast kunstenaars kregen ook ontwerpers, architecten, geluidskunstenaars, wetenschappers en denkers een plaats binnen haar programma. Zo verzamelde de Fondation al objecten uit het Amazonegebied nog vóór het Musée du Quai Branly werd opgericht.

Een tentoonstelling als eigentijdse salon

De inaugurele tentoonstelling in het nieuwe gebouw grijpt terug naar de grote salons van de negentiende eeuw, waar uiteenlopende vormen van creativiteit samenkwamen.

“Naast kunstwerken omvat deze editie ook kunstnijverheid, design en architectuur”, zegt Dercon. “Het is de grootste tentoonstelling in de 41-jarige geschiedenis van de stichting.”

De tentoonstelling bestaat uit vier delen. Het eerste luik, Machines d’architecture, fungeert als een tijdelijk architecturaal laboratorium rond stedenbouw en samenleven. Een tweede deel onderzoekt de relatie tussen mens en natuur. Het derde hoofdstuk, Making Things, focust op kunst en ambacht. Het vierde luik, Un monde réel, verkent toekomstgerichte verhalen waarin wetenschap, technologie en fictie samenkomen, met bijzondere aandacht voor digitale en virtuele werelden zoals gaming.

© Fondation Cartier

Een gebouw als ‘kijkmachine’

Het nieuwe onderkomen van de Fondation Cartier heeft een rijke geschiedenis. Het gebouw werd opgetrokken in 1854, tijdens de Wereldtentoonstelling, als onderdeel van het Grand Hôtel du Louvre. Tussen 1887 en 1974 huisvestte het de Grands Magasins du Louvre. Daarna deed het dienst als Louvre des Antiquaires, tot de sluiting in 2019.

Architect Jean Nouvel transformeerde het gebouw volledig. Vandaag omvat het een ruimte van 8.500 vierkante meter, waarvan 6.500 vierkante meter tentoonstellingsruimte. De grote ramen bieden uitzicht op de Rue de Rivoli, Rue Saint-Honoré, Rue de Marengo en de Place du Palais-Royal.

Vanuit de Fondation kijken bezoekers uit op de klassieke Griekse en Romeinse beelden van het Louvre. Omgekeerd krijgen voorbijgangers een inkijk in de tentoonstellingsruimtes. Volgens Dercon functioneert het gebouw als een “kijkmachine”: een flexibel systeem dat telkens opnieuw kan worden afgestemd op de wensen van kunstenaars, curatoren en tentoonstellingen.

Centraal staan vijf verplaatsbare platforms van 200 tot 363 vierkante meter, samen goed voor 250 ton, die over elf verschillende niveaus kunnen worden gepositioneerd.

“Jean Nouvel heeft een ruimte gecreëerd waarin de horizontale dialoog met de stad samenkomt met verticale beweging”, zegt Dercon. “De presentatie van de werken zal voortdurend evolueren. Alles tegelijk tonen creëert bijna een universalistische ervaring.”

Zijn fascinatie voor kunstenaars die balanceren tussen realiteit en verbeelding speelt daarbij mee. “Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot magiërs zoals David Lynch. Veel kunstenaars werken op het snijvlak van magie en fantasmagorie.”

Ook buiten het gebouw wordt die dialoog met de stad zichtbaar. Op de Place du Palais-Royal verscheen opnieuw een kiosk, een verwijzing naar de Wereldtentoonstelling van 1855 en een uitbreiding van de aanwezigheid van de Fondation in de publieke ruimte.

Jean Nouvel vat zijn visie als volgt samen: “Kunst maakt deel uit van het dagelijkse leven van de Parijzenaars en beweegt met hen mee. Ik probeer geen ruimte te bouwen, maar in de ruimte te bouwen. Zoals de Oude Grieken geloof ik dat een museum de ideale plek is om een omgeving te creëren die expressie, vernieuwing en emotie mogelijk maakt.”

Publiek en privaat

Doorheen zijn carrière bewoog Dercon zich voortdurend tussen publieke en private instellingen. Dat onderscheid ziet hij vooral als een kwestie van organisatie, niet van missie.

“Ik vind overal inspiratie, zowel in het slechtste als in het beste. Uit elke instelling die ik heb geleid, heb ik lessen getrokken. Bij MoMA PS1, Witte de With, Haus der Kunst en vooral Tate Modern heb ik geleerd dat je uiteindelijk meer leert van je mislukkingen dan van je successen.”

Volgens hem vervagen de grenzen tussen publiek en privaat steeds meer. “Tate Modern heeft een dubbele status als openbare instelling en liefdadigheidsorganisatie. Het combineert dus publieke en private functies. In aankoopcommissies zitten verzamelaars, kunstenaars en private stichtingen samen. Ik ben misschien wel het perfecte voorbeeld van die doorlaatbaarheid tussen privé en publiek.”

“Ik ben misschien wel het perfecte voorbeeld van die doorlaatbaarheid tussen privé en publiek.”

Samenwerkingen en nieuwe opdrachten

Hoewel de Fondation Cartier geen structurele partnerschappen onderhoudt, werkt ze regelmatig samen met andere culturele instellingen. Zo lopen er projecten met de Triënnale van Milaan en het Power Station of Art in Shanghai.

Een recent voorbeeld is Il Nostro Tempo, een tentoonstelling rond cinema die samen met de Triënnale van Milaan werd opgezet. Daarnaast participeert de Fondation ook in projecten binnen de Salone del Mobile.

Dat de stichting over aanzienlijke middelen beschikt, biedt volgens Dercon belangrijke voordelen. “Daardoor kunnen we ons volledig richten op creatie, onderzoek en publiekswerking. We hebben een uitgebreide afdeling culturele bemiddeling uitgebouwd om bezoekers maximaal comfort te bieden. Het bespelen van deze kijkmachine beschouwen we als een publieke dienst.”

Ook het aankoopbeleid van de stichting is bijzonder. Naast het verwerven van bestaande werken geeft de Fondation regelmatig nieuwe opdrachten. “Voor de Algemene Tentoonstelling werken we bijvoorbeeld met protocollaire werken. We kopen als het ware het concept aan, dat vervolgens later wordt gerealiseerd.”

En wat met de huidige terugval van de kunstmarkt? Ondervindt de stichting daar gevolgen van? “Een terechte vraag. We verzamelen al decennialang werken die niet echt thuishoren in galerieën of bij Sotheby’s en Christie’s. In dat opzicht vervult de Fondation een rol die vergelijkbaar is met die van een openbare instelling. Maar ja, de kunstmarkt kampt met moeilijkheden en ook wij voelen die terugval, de cijfers spreken voor zich. Het zal ongetwijfeld invloed hebben op de aard van de toekomstige tentoonstellingen. Misschien richten we ons straks wel op objecten die bijna niets kosten …” 

Johan-Frédérik Hel Guedj
Johan-Frédérik Hel Guedj
Johan-Frederik Hel Guedj is een Franse journalist en auteur. Hij was zeven jaar hoofdredacteur van het tijdschrift Pouvoirs Locaux, dat gewijd is aan cultuurbeleid. Daarnaast publiceerde hij acht boeken bij Franse en Belgische uitgevers, waaronder twee romans, een essay over Orson Welles en vier kunstboeken. Naast Forbes werkt hij ook mee aan L’Echo en Le Quotidien de l’Art (Parijs).

Latest article