Tachtig jaar na haar oprichting wankelt de Verenigde Naties tussen relevantie en irrelevantie. De organisatie die ooit de wereld moest redden van oorlog, worstelt nu met machteloosheid, cynisme en financiële uitputting. Toch blijft ze onmisbaar. In een omgeving van terugkerend nationalisme en geopolitieke rivaliteit is de blauwe vlag misschien niet langer het symbool van mondiaal gezag, maar nog altijd dat van noodzaak.
Op een winteravond in 1941 zat Winston Churchill in bad in het Witte Huis toen Franklin D. Roosevelt binnenkwam. De Britse premier, half verzonken in warm water, keek op naar de Amerikaanse president die een naam op zijn lippen had: “The United Nations.” Nog midden in de oorlog klonk het als een droom. Maar het idee bleef hangen: een systeem dat vrede moest bewaren. In januari 1942 ondertekenden zesentwintig landen de Verklaring van de Verenigde Naties. Drie jaar later, in San Francisco, werd het Handvest getekend. De openingszin: “Wij, de volkeren van de Verenigde Naties, vastbesloten om komende generaties te behoeden voor de gesel van de oorlog…” was even verheven als de ruïnes van Europa diep. De blauwe vlag, ontworpen door Oliver Lincoln Lundquist, werd een moreel kompas voor een gewonde wereld.
De lange schaduw van macht
De VN kreeg een revolutionaire structuur: een Algemene Vergadering van alle staten, en een Veiligheidsraad met vijf permanente leden. André Nollkaemper, hoogleraar internationaal recht in Amsterdam: “De legitimiteitsvraag rond de Verenigde Naties is er eigenlijk al sinds de oprichting in 1945. Het is ingebouwd in de structuur van de organisatie zelf. De VN werd geleid door de overwinnaars van de Tweede Wereldoorlog: de Verenigde Staten, Rusland, China, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, die samen het machtigste orgaan vormen: de Veiligheidsraad. Deze vijf permanente leden hebben beslissende invloed op kwesties van internationale vrede en veiligheid, en beschikken over vetorecht. Die machtsongelijkheid ligt aan de basis van de voortdurende discussie over de legitimiteit van de VN.”
Cedric Ryngaert, hoogleraar internationaal recht aan de Universiteit Utrecht, beaamt. “In dat compromis ligt de kiem van alle latere spanningen. De organisatie is gebouwd op de macht van staten, niet op de wil van burgers, en precies dat maakt hervorming zo moeilijk.” Ook Joris Larik, hoofddocent internationaal recht en expert in mondiale instituties (Universiteit Leiden), wijst op dat fundamentele spanningsveld. “We zien grootmachten met permanente zetels die hun vetorecht steeds vaker misbruiken. Niet om mensenrechten of andere fundamentele waarden te verdedigen, maar uit eigenbelang. Dat holt de geloofwaardigheid van het systeem uit.”
Tegelijk groeit de frustratie in het mondiale zuiden. “Die ondervertegenwoordiging is al decennia een bron van wrevel”, zegt Larik, die meeschreef aan een rapport met de titel UN.2.0. “Maar meer representativiteit in algemene zin is niet automatisch beter; het mondiale zuiden is geen homogeen blok. Je moet nadenken over welke hervormingen de wereld werkelijk vooruithelpen.” Daarom kijkt hij hoopvol naar initiatieven die het systeem niet afbreken maar verbeteren. “Afschaffen van het veto zal niet lukken”, zegt Larik. “Maar er zijn realistische hervormingen mogelijk: zoals het initiatief voor een gedragscode die permanente leden ervan zou weerhouden om hun veto te gebruiken in situaties van massale gruweldaden en ze eraan committeert om publiek verantwoording af te leggen voor hun veto’s. Dat is geen wondermiddel, maar het dwingt tot politieke transparantie.”
In de jaren 1950 grapte VN-secretaris-generaal Dag Hammarskjöld dat de VN “niet is opgericht om ons naar de hemel te brengen, maar om ons van de hel te redden.” Volgens die norm is de VN effectief geweest. Sinds de oprichting in 1945 zijn we inderdaad van een wereldoorlog gespaard. Agentschappen als UNICEF, UNESCO, WHO en UNHCR werden symbolen van internationale solidariteit, maar ook van institutionele logheid. Toch bleven er successen: het Montreal Protocol redde de ozonlaag, de vredesmissies in Cambodja en Namibië bewezen dat multilateralisme kon werken, wanneer politiek en moraal elkaar even vonden. De val van de Berlijnse Muur in 1989 leek de VN een nieuwe adem te geven. Maar de euforie was kort. De Golfoorlog (1991) toonde de kracht van collectieve actie; de invasie van Irak (2003) haar breuk. De Verenigde Staten vielen een ander land binnen zonder toestemming van de Veiligheidsraad: een symbolische amputatie van de wereldorde die ze zelf hadden helpen bouwen. Cedric Ryngaert merkt op dat het vertrouwen in internationale regels sindsdien onder druk staat. Zodra regels botsen met nationale belangen, verliezen ze hun gezag.
Daarna kwamen Rwanda (1994) en Srebrenica (1995): genocides onder VN-toezicht. De beelden van blauwhelmen die machteloos toekeken, sneden dieper dan woorden. Kofi Annan, zelf een VN-insider, zei het scherp: “De VN is het geweten van de wereld, maar ze heeft geen leger.” Zijn hervormingspogingen botsten op politieke muren. Zoals Cedric Ryngaert opmerkt in zijn analyse: “de VN kan slechts zo krachtig zijn als haar lidstaten haar toelaten. En de grootmachten hebben zelden belang bij een sterke scheidsrechter.”
André Nollkaemper: “Naast de Veiligheidsraad speelt ook de secretaris-generaal een cruciale rol. Intern leidt hij de organisatie en haar medewerkers, extern is hij het gezicht en moreel kompas van de VN. Een goede secretaris-generaal moet net een beetje voor de troepen uitlopen en niet bang zijn om controversiële uitspraken te doen, zelfs als die niet door alle lidstaten worden gesteund. Dat maakt de functie delicaat: wie te uitgesproken is, riskeert het vertrouwen van de grootmachten te verliezen; wie te voorzichtig is, verliest gezag in de bredere internationale gemeenschap.”
Kofi Annan wist volgens Nollkaemper die balans goed te bewaren. Ban Ki-moon was iets voorzichtiger, en António Guterres opereert in een bijzonder gepolariseerde tijd, waarin die balans nog moeilijker te vinden is.
De terugkeer van nationalisme
In het VN-hoofdkwartier aan de East River heerst een gevoel van uitputting. De Veiligheidsraad is verlamd: Rusland blokkeert Oekraïne-resoluties, de VS alles over Gaza. Toen Donald Trump in 2016 het Witte Huis betrad, begon een nieuw hoofdstuk van wantrouwen. Multilateralisme werd herleid tot een hinderpaal. Zeven jaar later, in 2025, stond hij opnieuw op het VN-podium. Zijn beleid was duidelijk: America First, ook binnen de VN. Washington schrapte bijdragen, blokkeerde benoemingen, trok zich terug uit agentschappen. De WHO verloor bijna een derde van haar budget.
André Nollkaemper: “Het bredere multilaterale systeem, waarvan de VN de kern vormt, staat onder druk. Steeds meer landen kiezen voor regionale of bilaterale samenwerking buiten de VN om, denk aan de Chinese Belt and Road-initiatieven of de BRICS-samenwerking. Het VN-systeem wordt door veel staten als traag, bureaucratisch en weinig representatief ervaren.” Toch is het volgens Nollkaemper te kort door de bocht om te zeggen dat de VN geen toekomst meer heeft. Op tal van terreinen, volksgezondheid, voedselvoorziening, luchtvaart, scheepvaart, landbouw, speelt de organisatie nog steeds een onmisbare, coördinerende rol. Het is het verschil tussen wat hij high politics en low politics noemt: in de politieke topdossiers (oorlog, vrede, veiligheid) functioneert de VN moeizaam, maar op technisch en humanitair vlak blijft ze van groot belang.
“Multilateralisme en internationaal recht nemen nieuwe vormen aan”
Joris Larik ziet daarin een transformatie. “Multilateralisme en internationaal recht verdwijnen niet,” zegt hij. “Zij nemen nieuwe vormen aan. Landen zoeken manieren om samen te werken zonder de Verenigde Staten, in flexibele coalities. Europa speelt in dat herverkavelde wereldsysteem een verrassend consistente rol. De EU blijft gehecht aan multilateralisme, maar is minder naïef geworden”, zegt Larik. “Ze leert best snel en ontwikkelt unilaterale instrumenten om zichzelf en haar waarden te beschermen, zoals het antidwang-instrument tegen economische druk. Daarmee zegt ze eigenlijk: wij blijven onze voorkeur geven aan multilaterale oplossingen, maar laten ons niet chanteren. Dat maakt de EU tot een aantrekkelijke partner, vooral in een wereld waar autocratisering toeneemt.”

Volgens Cedric Ryngaert is dat de juridische vertaling van een bredere trend: staten gebruiken het internationale recht niet langer als grens, maar als gereedschap. Handel, data, gezondheid: alles wordt geopolitiek. En toch, zegt Joris Larik, “blijft de EU een van de weinige spelers die probeert orde en fatsoen te brengen in die chaos.”
Pogingen tot vernieuwing
“De VN heeft een imagoprobleem,” zegt Cedric Ryngaert, “We horen vooral over mislukkingen, maar vergeten de successen.” De organisatie redt dagelijks levens via de WHO, WFP en UNHCR, maar die successen zijn onzichtbaar. Volgens hem ligt dat deels aan de aard van het internationaal recht: stabiliteit verkoopt niet, crises wel. Maar juist die onzichtbare stabiliteit, de conflicten die niet uitbreken, vormen misschien het grootste succes van de VN. Joris Larik deelt dat perspectief, maar wijst op de noodzaak van pragmatische hervorming om geloofwaardigheid te behouden. “Willen we een echte rechtsorde”, zegt hij, “dan moeten staten ook gehoorzamen, of tenminste geloofwaardige rechtvaardigen voor hun gedrag aanleveren. Het internationale recht is geen buffet waar je pakt wat je bevalt.” Hij is voorzichtig optimistisch. “Ja, er is reden tot pessimisme, van Rusland tot de VS zien we een minachting voor fundamentele normen, maar het recht blijft tóch bestaan als collectief geweten. Instellingen als het Internationaal Hof van Justitie, samen met het Internationaal Strafhof en NGO’s als het Rode Kruis, houden dat morele anker vast. Dat is misschien wel de meest onderschatte kracht van de VN.”
De moraal van machteloosheid
André Nollkaemper: “Sinds 1945 is de wereld drastisch veranderd. Waar destijds zo’n vijftig staten het VN-Handvest ondertekenden, telt de organisatie nu bijna tweehonderd lidstaten. Al sinds de jaren zestig wordt daarom gepleit voor hervorming van de Veiligheidsraad. Toch stuiten dergelijke voorstellen telkens op hetzelfde probleem: elke wijziging van het VN-Handvest vereist instemming van juist die vijf permanente leden. Daarmee blokkeren ze in feite iedere fundamentele hervorming.” Zoals Nollkaemper stelt: “Het is moeilijk een scenario te zien waarin de permanente leden hun vetorecht willen opgeven, tenzij ze daartoe gedwongen zouden worden aan het eind van een nieuwe wereldoorlog met nieuwe overwinnaars.”
Ryngaert ziet daarin een fundamenteel spanningsveld: de VN balanceert tussen legitimiteit en efficiëntie, en verliest vaak op beide fronten. Joris Larik formuleert het minder somber: “De VN moet een arena blijven waar alle landen elkaar ontmoeten, juist omdat dat tegenwoordig zeldzaam is.” Kleine, realistische hervormingen kunnen daarbij het verschil maken, meent Larik. “Het versterken van de Algemene Vergadering, het gebruik van internationale rechtspraak, het verbinden van VN-programma’s met regionale en lokale organisaties, dat zijn stappen die relevantie herstellen zonder illusies van perfectie.” Cedric Ryngaert vat het fundamenteel samen: “Als je de VN vandaag zou opheffen, moet je haar morgen opnieuw oprichten.”

de wereld van 2030
Sommige analisten zien een toekomst van regionale VN’s: netwerken van samenwerkende raden, verbonden via digitale coördinatie en algoritmische besluitvorming. In Afrika groeit een Afrikaanse Veiligheidsraad, in Azië droomt men van een eigen vredesarchitectuur. Larik denkt niet dat de VN snel radicaal zal veranderen. “Ze zal zijn wat de wereld is: een onvolmaakte verzameling van belangen, ego’s, maar ook hoop en solidariteit,” zegt hij. “De VN overleeft niet dankzij macht, maar dankzij noodzaak. Zolang er oorlog en onrecht zijn, hebben we een forum nodig waar staten elkaar, hoe gebrekkig ook, nog in de ogen kijken.” Misschien is dat de ware les van tachtig jaar blauwe vlag: vooruitgang ligt niet in perfectie, maar in volharding. André Nollkaemper: “De organisatie blijft, met al haar beperkingen, een onmisbaar anker in een wereld die anders nog veel chaotischer zou zijn.”
