Inschrijven nieuwsbrief

Inschrijven nieuwsbrief

Abonnement Magazine

De fabel van de Belgische indexkameel

In de Marokkaanse volkswijsheid bestaat een gezegde dat zich moeilijk laat vertalen. Op de vraag wat een naakte man nodig heeft, luidt het antwoord, tegelijk spottend en wreed: een ring. Alsof een ornament de essentie kan vervangen. Alsof een symbool nog steeds de werkelijkheid kan verhullen.

In de nacht van 29 mei keurde de Kamer de programmawet goed die de indexering in centen invoert. Sinds 1 juni is het mechanisme van kracht in de eerste betrokken sectoren. Na een lang parlementair feuilleton heeft België daarmee zijn tweede kameel gekregen, om de ontwapenende woorden van Bart De Wever te gebruiken. Het beeld is amusant, maar zegt vooral iets eenvoudigs: het debat ging vooral over de vorm en nauwelijks over de inhoud.

Een systeem uit een andere tijd

De fundamentele vraag ligt elders. Waarvoor dient een mechanisme dat ontworpen werd voor een naoorlogse economie in een land dat vandaag opereert binnen een open en blootgestelde markteconomie, waar kostenstructuren, productiviteit en concurrentiedruk sterk verschillen van sector tot sector?

De gezondheidsindex had een duidelijke historische logica. Hij beschermde inkomens in een industriële economie waarin inflatie snel aan de koopkracht van werknemers kon vreten. Maar die economische context behoort grotendeels tot het verleden.

België van 2026 ziet er anders uit. Het land behoort tot de meest open economieën van Europa en kent volgens Eurostat een gemiddeld uurloonkostenniveau van ongeveer 48 euro, goed voor een plaats in de Europese kopgroep. Dat is geen technisch detail, maar een structureel gegeven dat rechtstreeks invloed heeft op investeringen, werkgelegenheid en vestigingsbeslissingen.

Eén regel voor uiteenlopende werkelijkheden

Misschien nog opvallender is de manier waarop België zeer verschillende economische situaties onderwerpt aan één uniforme regel.

De arbeidsproductiviteit stijgt al jaren slechts langzaam, terwijl de loonkosten blijven toenemen. Die discrepantie is zelden spectaculair van maand tot maand, maar werkt cumulatief. Een economie kan dergelijke afwijkingen lange tijd verdragen, tot blijkt dat er een aanzienlijke kloof is ontstaan tussen wat zij produceert en wat zij voor die productie betaalt.

De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven wijst erop dat de officiële loonhandicap tegenover de buurlanden sterk is afgenomen. Dat klopt. Op strikt rekenkundig vlak is de kloof kleiner geworden. Maar daarmee is het onderliggende probleem niet verdwenen.

Dat probleem schuilt minder in het absolute niveau van de lonen dan in de manier waarop ze tot stand komen. Wanneer hetzelfde mechanisme op identieke wijze wordt toegepast op een bloeiende technologiesector en op een industrie die onder zware internationale druk staat, verliest het systeem een deel van zijn economische verfijning. Ook de Nationale Bank wijst regelmatig op de rigiditeit van het Belgische loonvormingsmodel en de gevolgen daarvan voor de concurrentiepositie van ondernemingen.

Het meest frappant is misschien wel de manier waarop België heel verschillende economische situaties behandelt met één uniforme regel.

De arbeidsproductiviteit in België neemt al jaren langzaam toe, terwijl de loonkosten onder druk staan. De discrepantie is niet spectaculair van maand tot maand, maar werkt accumulatief. Een economie kan lang dit soort slips verdragen voordat het ontdekt dat het een kloof heeft laten ontstaan tussen wat het produceert en wat het betaalt voor die productie.

De paradox van de compensatie

Aan die rigiditeit is nog een andere paradox verbonden.

België besteedt meer overheidssteun aan ondernemingen dan de meeste buurlanden. Volgens schattingen van de Nationale Bank gaat het om ongeveer 25 miljard euro per jaar, bijna vier procent van het bruto binnenlands product en ongeveer anderhalf procentpunt meer dan in de omringende landen. Een aanzienlijk deel van die middelen bestaat uit loonsubsidies die bedoeld zijn om de hoge fiscale druk op arbeid te compenseren.

Het resultaat is een merkwaardige cyclus. De overheid belast arbeid zwaar, compenseert vervolgens een deel van die last via subsidies en corrigeert daarna opnieuw de neveneffecten van die compensaties. Het systeem houdt zichzelf in stand door steeds meer correcties op eerdere correcties te stapelen.

Intussen wordt de marge kleiner. Met een loonnorm van nul procent voor de periode 2025-2026 geeft het systeem vooral aan dat het zijn eigen grenzen begint te bereiken. Tegelijk neemt de budgettaire druk toe en zullen de rentelasten op de overheidsschuld verder stijgen naarmate de financieringskosten normaliseren. De manoeuvreerruimte bestaat nog, maar krimpt zichtbaar.

Naar een intelligentere indexering

De oplossing hoeft niet revolutionair te zijn.

Indexering hoeft niet te verdwijnen, maar zou beter moeten aansluiten bij de economische realiteit. Een meer gedifferentieerd systeem, gebaseerd op sectorale omstandigheden, productiviteitsgroei en het daadwerkelijke vermogen van ondernemingen om kostenstijgingen op te vangen, zou consistenter zijn dan een uniforme aanpassing voor de volledige economie.

Zo’n mechanisme kan de koopkracht beschermen waar de economische activiteit dat toelaat, zonder sectoren die reeds onder druk staan verder te verstikken. Het zou bovendien beter rekening houden met de grote verschillen die vandaag bestaan tussen industrie, diensten, technologie, logistiek en zorg.

De ring en de kameel

Het doel is niet om de koopkracht op te offeren. Het doel is om afscheid te nemen van een systeem dat de economie behandelt als een vlakke oppervlakte, terwijl zij in werkelijkheid bestaat uit uiteenlopende reliëfs, ritmes en spanningen.

België vertelt zichzelf hierin nog te vaak een te eenvoudig verhaal. Het hervormt, maar doet dat vooral aan de oppervlakte. Het beschermt en verstijft tegelijk. Het corrigeert en compenseert, alsof de correctie zelf al voldoende economisch beleid vormt.

De man blijft nochtans naakt. De ring blinkt aan zijn vinger. En de kameel strompelt verder, met die karakteristiek zware tred van hervormingen die uiteindelijk wel komen, maar zelden op tijd.

Latest article