Meer dan de helft van de Belgische volwassenen kampt met overgewicht, terwijl een op de vijf aan obesitas lijdt. De cijfers stijgen jaar na jaar. “We slagen er niet in de groei af te vlakken”, zegt professor Bart Van Der Schueren (UZ Leuven) en voorzitter van de Belgian Association for the Study of Obesity.
Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) leven wereldwijd meer dan één miljard mensen met obesitas, drie keer zoveel als in 1975. Europa volgt dezelfde trend en ook België ziet het aantal mensen met overgewicht elk jaar stijgen. De obesitasepidemie is geen plots fenomeen, maar een stille pandemie die zich al decennialang in onze samenleving nestelt. “Het angstaanjagende is niet dat het explodeert, maar dat de toename zich gestaag blijft doorzetten”, zegt Bart Van Der Schueren, endocrinoloog aan UZ Leuven. “We slagen er niet in die groei af te vlakken.”
Chronische aandoening
De wetenschap begrijpt vandaag nochtans beter dan ooit wat er achter die trend schuilgaat. “We weten intussen veel meer over de rol van ultrabewerkte voeding, hormonale verstoorders, medicatie en genetische factoren”, zegt hij. “Toch blijft de implementatie van die kennis in ons zorgsysteem achter.”
“Obesitas is geen individueel falen, maar het resultaat van talloze factoren”

Volgens Van Der Schueren ligt het probleem in de manier waarop obesitas nog altijd wordt benaderd. “Jarenlang werd het gezien als een individueel falen. De boodschap was: pas je levensstijl aan en het komt goed. Maar gewicht is de resultante van tal van factoren, waarvan veel buiten de controle van het individu liggen. Dat stigma heeft ons decennialang tegengehouden om obesitas als een chronische ziekte te behandelen.”
Daarnaast vraagt de omvang van het probleem om een fundamentele hertekening van het zorgsysteem. Er is te weinig aandacht voor vroege detectie. “In amper een op de vier huisartsendossiers staat een BMI genoteerd”, merkt Van Der Schueren op. “We reageren pas als er bijkomende aandoeningen optreden zoals hoge bloeddruk, cholesterol of diabetes. Ons systeem is gebouwd op curatie in plaats van preventie.” Om de trend te keren, moet zorg veel vroeger beginnen. “We mogen niet wachten tot iemand ziek is om zorg te bieden. En dat vergt een echte mindshift.”
Geïntegreerde obesitaszorg
De oplossing ligt volgens Van der Schueren in een structurele aanpak, met geïntegreerde zorg over de lijnen heen. “We moeten obesitas uit de ziekenhuizen houden, maar tegelijk zorgen dat de expertise van specialisten doorstroomt naar de eerste lijn. Dat vraagt om een transmurale aanpak, of wat minister Vandenbroucke geïntegreerde zorg noemt. We moeten af van de silo’s tussen ziekenhuizen en eerstelijnszorg, en vertrekken vanuit de patiënt. Die moet zijn weg vinden naar het juiste zorgpad, niet automatisch naar het ziekenhuis, dat vaak niet de juiste plaats is.”
Investeren in obesitaszorg lijkt moeilijk te verdedigen in tijden van budgettaire druk, maar volgens Van Der Schueren is het economisch gezien onvermijdelijk. “Vroegtijdige interventie kost minder dan laattijdige behandeling. Als we niets doen, betaalt de maatschappij dubbel: via de gezondheidszorg en via productiviteitsverlies.”
Rol van overheid en industrie
Ook de overheid blijft te veel steken in klassieke preventiecampagnes. Als voorzitter van de Belgian Association for the Study of Obesity pleit Van Der Schueren ervoor om obesitas als chronische ziekte te erkennen, met behandeltrajecten waarin ook paramedici een rol spelen. “Mensen die hulp zoeken, moeten vroeger een antwoord vinden, niet wanneer ze type 2-diabetes of andere complicaties hebben. Natuurlijk blijft levensstijl belangrijk, maar dat mag geen alibi zijn om behandeling uit te stellen.”
De invloed van de voedingsindustrie maakt het debat nog complexer. “We leven in een maatschappij die voortdurend aanzet om te eten. Vooral ultrabewerkte producten worden continu gepromoot. Een voedingsproduct op zich is zelden slecht, het gaat om de context en de afwisseling. Daarom werken simplistische maatregelen, zoals een suikertaks, zelden afdoende. Ze klinken goed, maar ze pakken de complexiteit van ons voedingspatroon niet aan.”

Groeiende kost
De financiële impact is enorm. De directe kosten van obesitas voor de Belgische gezondheidszorg wordt geraamd op minstens vier miljard euro per jaar, maar dat cijfer onderschat de reële schade. “Obesitas leidt tot meer dan tweehonderd geassocieerde aandoeningen, van slaapapneu tot depressie, en tot vroegtijdige uitval op de arbeidsmarkt. De indirecte kost is gigantisch.”
De impact van overgewicht en obesitas reikt verder dan de gezondheidszorg. “Een samenleving waarin de helft van de volwassenen met overgewicht kampt, is fundamenteel minder veerkrachtig”, voegt Van Der Schueren er nog aan toe. “Dat merk je zelfs aan onverwachte dingen: Defensie heeft bijvoorbeeld moeite om fitte rekruten te vinden. In de VS is dat al een strategisch probleem.”
Obesitas op de werkvloer
Die link met de arbeidsmarkt is volgens arbeidsarts en professor arbeidsgeneeskunde Lode Godderis (IDEWE) duidelijk zichtbaar op de werkvloer. Volgens hem kampt intussen bijna 60% van de Belgische werknemers met overgewicht, tegenover 51% in 2011. “Het gaat om een structurele trend”, zegt hij.
De stijging is zichtbaar in alle sectoren, maar het zwaartepunt ligt bij transport, bouw en industrie. In de transportsector heeft bijna acht op de tien werknemers overgewicht. In het onderwijs, een meer vrouwelijke en jongere sector, ligt dat rond de 50%. De verschillen zijn deels te verklaren door leeftijd en geslacht, maar ook door de aard van het werk. “Vrachtwagenchauffeurs hebben een zittend beroep en weinig kans om te bewegen, ervaren veel werkdruk en hebben een beperkte toegang tot gezonde voeding. In wegrestaurants is het moeilijk om iets gezonds te vinden.”
Ook de bouwsector scoort opvallend hoog. Dat lijkt verwonderlijk omdat het fysiek werk is. “Dat noemen we de fysieke-activiteit-paradox”, legt Godderis uit. “De inspanningen op het werk zijn zelden intens genoeg om gezondheidswinst op te leveren. Ze verbruiken energie, maar verbeteren hun conditie niet.”
Overgewicht hangt samen met hoge bloeddruk, hart- en vaatziekten, suikerziekte en vermoeidheidsklachten, maar ook klachten aan het bewegingsapparaat zoals rug en knieën. Dat zorgt ervoor dat mensen sneller uitvallen en trager herstellen. “Bedrijven zijn bezorgd over langdurig ziekteverzuim. Werknemers die kampen met chronische aandoeningen blijven minder lang gezond aan het werk. Dat is een probleem in een arbeidsmarkt waar we tot 67 jaar moeten werken.”
Realistische ingrepen
Toch is de situatie niet hopeloos. Met eenvoudige maatregelen kunnen bedrijven en organisaties het verschil maken. “Beweging stimuleren hoeft niet complex te zijn”, zegt Godderis. “Maak het werknemers makkelijker om te fietsen naar het werk, met goede fietsenstallingen, douches of een fietsvergoeding. Zo verlaag je drempels en moedig je actieve verplaatsingen aan. Ook een stappencompetitie tussen afdelingen kan helpen, zolang het speels en op groepsniveau blijft. Zelfs kleine ingrepen, zoals wandelmeetings in plaats van zittend overleg, maken al een groot verschil.”
Een valkuil, waarschuwt hij, is een te eenzijdig beleid. “Bedrijven denken dat ze met een fruitmand in de kantine en een jaarlijkse sportdag vol goede bedoelingen hun gezondheidsbeleid afvinken. Vaak bereik je dan alleen de mensen die al gezond bezig zijn. Probeer drempels te verlagen en ook de niet-sporters te betrekken. Dat vraagt creativiteit.”
“Zelfs kleine ingrepen, zoals wandelmeetings, maken al een groot verschil”
Ook voeding verdient aandacht. “In bedrijfsrestaurants kun je gezonde en lekkere opties aanbieden. Gezond eten mag niet synoniem zijn van saai. Mensen moeten zin krijgen om het te proberen. Zet gezonde alternatieven letterlijk binnen handbereik: werknemers zijn van nature een beetje lui, dus maak de gezonde keuze de makkelijkste keuze.”
Tot slot pleit Godderis voor een respectvolle benadering. “Het is belangrijk dat werkgevers dit niet paternalistisch aanpakken, niet vanuit het idee: wij weten wat goed is voor u. Betrek werknemers, vraag wat zij nodig hebben, wat haalbaar is in hun context. En bouw samen iets uit dat werkt voor iedereen.”
