Trouw aan haar strategie koos de hotelketen One&Only twee uitzonderlijke locaties voor haar Rwandese hotels. Het eerste in het noordwesten van het land, aan de rand van het Volcanoes National Park, het toevluchtsoord van de zilverruggorilla’s. Het tweede ligt in het zuidwesten, grenzend aan het Nyungwe-natuurreservaat, befaamd om zijn chimpansees. Twee parels met slechts een twintigtal ultra-luxueuze suites en bovenal: ideale uitvalsbasissen voor tochten door weelderige wouden op meer dan 3.000 meter hoogte, oog in oog met de grote mensapen.
Beelden Joachim Condijts en RV

Kigali, de luchthavenpoort van het land, is Rwanda in een notendop: heuvels reikend aan de horizon, bevolkt door duizenden zielen die voortdurend in de weer zijn. Met het verschil dat hier wolkenkrabbers oprijzen die de toppen nog hoger tillen. De brede, met bomen omzoomde lanen, omringd door glazen kantoorgebouwen, contrasteren met de straten waar een vrolijk kluwen kappers, kleermakers, garagisten, slagers en elektronicaverkopers elkaar opvolgen. In de wijk Gisozi, ten noorden van de hoofdstad, op een helling die uitkijkt over de rest van de stad, herinnert het genocidegedenkteken – en vooral de 250.000 stoffelijke resten die er liggen – aan ‘het miljoen Tutsi’s die op honderd dagen tijd werden gedood’. Tussen april en juli 1994 escaleerden de spanningen tussen de Hutu- en Tutsi-gemeenschappen – spanningen die door de Duitse en Belgische kolonisator waren aangewakkerd, zo niet veroorzaakt, en vervolgens door Hutu-extremisten werden geïnstrumentaliseerd – tot een waar menselijk slachthuis.
Zoals in Kigali getuigen alle steden en wegen ernaartoe van de tragedie: nu eens een massagraf, dan weer een plek waar bloedbaden plaatsvonden. De nationale weg richting het noordwesten vormt daarop geen uitzondering. Hij slingert door een groen heuvellandschap, bezaaid met dorpen die zich aftekenen door hun glanzende rode dakpannen of door de regen verweerde tegels. Op een goede honderd kilometer en twee uur rijden, op het kruispunt van de grenzen met Oeganda en Congo, ligt het Volcanoes National Park: het toevluchtsoord van de zilverruggorilla’s. Aan de rand van dit reusachtige natuurreservaat koos de One&Only-groep ervoor om een van haar twee hotels op Rwandese bodem te vestigen. “We zoeken altijd naar plekken die uitzonderlijke ervaringen bieden, en deze plek in Kinigi, aan de voet van het nationaal park, voldoet helemaal aan die wens”, vertelt Prayer Gakunde, marketingdirecteur van de keten in Rwanda. Uitzonderlijk is het inderdaad: een domein van 35 hectare waar discreet een twintigtal suites verspreid liggen, variërend van bijna 90 tot 400 m2. Alsof ze in de bomen hangen, beschikken ze allemaal over ruime terrassen die het eucalyptusbos in duiken. De interieurs brengen hout en stof, modern en antiek, samen in een hommage aan het lokale ambacht. ’s Avonds, wanneer het bos ritselt, lonkt het zwembad met zijn duizenden glinsterende mozaïeksteentjes voor een verkwikkende duik.

Verder biedt het hotel een verfijnde gastronomie, bereid met producten uit de moestuin van het domein. Een hedendaagse keuken van lokale gerechten in een nieuw jasje, die je op twee plekken met een totaal verschillende sfeer proeft. De eerste: het voormalige huis van Jack Hanna, directeur van de Columbus Zoo in Ohio, befaamd om zijn werk voor gorilla’s, dat heeft bijgedragen aan de bescherming van hun habitat. Hanna vestigde zich in de jaren tachtig in Kinigi. Zijn vroegere residentie is vandaag in het domein opgenomen en hier vinden tegenwoordig diners in intieme setting of koffieproeverijen (het hotel organiseert ook initiaties rond de lokale productie) plaats. Het tweede restaurant vormt het kloppende hart van het domein: een ark van hout en glas, prachtig gestrand in het midden van de groene oceaan. Binnen opent de ruimte zich, met aan de ene kant een bar waar Ernest Hemingway zich beslist tot diep in de nacht zou hebben opgehouden en aan de andere kant een eetkamer waar gasten zich in het paradijs wanen, verloren in de Afrikaanse onmetelijkheid die zich aan het oog opent via het brede raam dat uitkijkt op de helling, die uitloopt in de helihaven hieronder.

Als het hotel de reis al waard is, dan is de reis vooral de gorilla’s waard. Grote mensapen die je moet verdienen, zowel met je portemonnee (de Rwandese regering heeft een ‘bezoekersvergunning’ ingesteld van 1.500 dollar per persoon) als met je benen: het vertrek staat immers gepland om 4.30 ’s ochtends…
Bij dageraad dus. Lage stapelwolken kronen in de verte de Karisimbi, met meer dan 4.500 meter het hoogste punt van het Virunga-massief. Ergens aan zijn voeten ligt het graf van primatoloog Dian Fossey. Het kleine groepje van acht, begeleid door een gids en enkele gewapende rangers, beweegt zich door de heide die hier en daar iets Iers krijgt, met haar lange muur van bovengrondse stenen en haar opeenvolging van met gras begroeide grafheuvels. De muur markeert de grens van het Volcanoes National Park. Na een half uur stappen door dit bijna Britse decor steekt de groep de omheining over via een houten bruggetje. De decorwissel is opvallend. De vegetatie wordt weelderig en geleidelijk dringt de ganzenmars dieper een ware jungle binnen. Een van de rangers hanteert zijn machete om een pad uit te kappen. Het gaat steil omhoog. De 3.000 meter zijn in zicht. De ijler wordende lucht en een motregen die de bodem in glibberige modder verandert, vertragen de tocht. Na twee onafgebroken uren stappen komt de groep uit op een open plek met dichte struiken. De spotters worden onrustig. Ze zijn er.

Een deel van de familie Izuba ontbijt op deze heuvelhelling, die door de mist een cinematografische sfeer krijgt. De eerste gorilla’s die de bezoekers ontdekken, zijn een vrouwtje en haar baby. Dan een tweede vrouwtje. En verderop een mannetje dat blaadjes afrukt met een zekere hand. Een van de gidsen laat een grom horen. “Het is een boodschap: we zeggen hen dat we in vrede komen, dat ze ons niet hoeven te vrezen”, fluistert hij. Zo’n 1.600 gorilla’s bevolken het reservaat, verdeeld over 24 families. “Doorgaans schaart een familie zich rond een rijp mannetje, een zogenaamde ‘zilverrug’, die het gezag heeft over een groep met meerdere vrouwtjes. Soms telt de groep meerdere zilverruggen – broers of zonen van het dominante mannetje.”
Een paradijs verloren in de Afrikaanse onmetelijkheid.
Een uur lang observeren de bezoekers, in een bijna religieuze stilte, op een paar centimeter verwijderd van (en soms zelfs even aangeraakt door) deze grote mensapen, die hun dag onverstoorbaar lijken te vervolgen. Na deze onvergetelijke ontmoeting komt het moment van de afdaling – zowel in letterlijke als figuurlijke zin.
Richting het Kivumeer. Even bevolkt blijft de nationale weg een zestigtal kilometer langzaam dalen om uit te komen op een binnenzee waarvan het water het land tart en kantachtige baaien uitsnijdt. In de verte versperren eilanden de horizon. En daarachter ligt Congo – Kivu, om precies te zijn – een regio die sinds het einde van de twintigste eeuw door conflicten wordt verscheurd. Bewakingsdrones blijven trouwens onophoudelijk over deze grensregio cirkelen.
In Kibuye, op een rotspunt, valt een kasteel in Louis XV-stijl op in het decor: een hotel met een aartskitscherig interieur, bedacht door de gelijknamige geneesheer Christian Marara. Vissersdorpjes volgen elkaar op, met hun bootjes op de oevers. De weg begint te klimmen om het Nyungwe National Park te bereiken, een immens woudgebied van meer dan 100.000 hectare, ingeschreven op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Met hoogtes tussen 1.500 en 3.000 meter geldt de zone als “een van de wereldwijd meest onvervangbare voor het behoud van zoogdieren, vogels en amfibieën”, aldus UNESCO. Ze herbergt “een vijfde van de primatensoorten van Afrika, waaronder de zwaar bedreigde oostelijke chimpansee en de gouden meerkat”.
Ten noorden van het reservaat zou een van de bronnen van de Nijl liggen.
Het One&Only Nyungwe House duikt op aan het einde van een laan die uitmondt in theeplantages (waar een degustatie volgens de regels van de kunst een onlosmakelijk deel uitmaakt van de ervaring). Het hotel telt slechts een handvol bungalows, verspreid over een brede sikkel aan de rand van het reservaat. De grootste herbergt de receptie, de bar en het restaurant. Bekleed met natuursteen en hout volgen de zalen elkaar op langs een elegante binnenroute. Ook hier domineren streekproducten de menu’s. En, gesust door het knetteren van het haardvuur, met een ‘papa doble’ in de hand, leunend tegen de bar of onderuitgezakt in een fauteuil, zou Ernest hier ongetwijfeld de nacht verder zetten die bij de eerdere halte begon. “In 2017 hebben we deze lodge overgenomen, die oorspronkelijk eigendom was van de Rwandese overheid”, vertelt Prayer Gakunde. “We hebben ze aangepast aan de standaarden van de groep. Het was ons eerste hotel in Rwanda.” Lager, amper zichtbaar vanaf de paadjes die door de theeplantage lopen, vormen de 22 suites met een of twee slaapkamers de grens met het bos, hun terrassen een verlengstuk van het bladerdak. Aan het uiteinde van de sikkel bevindt zich de spa met zijn grote ramen. En helemaal achterin, het zwembad – een blauwkleurig spiegelvlak dat zich in de schoonheid van Nyungwe stort en in elke ranglijst van mooiste zwembaden ter wereld naar een plek zou kunnen meedingen.
Net als haar zus in het noorden biedt ook dit hotel tochten aan – niet op zoek naar gorilla’s, maar naar de chimpansees die in het reservaat leven. Ook hier gaat de wekker – net als in Kinigi – onverbiddelijk vroeg. Het toegangsticket voor het reservaat is daarentegen tien keer goedkoper en kost 150 dollar.
De onderdompeling zelf gaat sneller dan in het Virunga-massief: de ganzenmars van een tiental personen, voorafgegaan door de spotters, verlaat het asfalt en betreedt een vaag pad dat snel opgaat in de dichte vegetatie. Het terrein is steil en de grond doorweekt door de regen. De groep beweegt traag vooruit. Na een uur afdalen laten de eerste apen zich zien, neergestreken op takken een paar tientallen meter verderop. Bevroren blijven staan om ze te observeren, zelfs vanop afstand, is echter geen optie: de modder zit vol vijandige mieren die niets liever willen dan zich door de minste opening wurmen. Onder leiding van de spotters trekt de groep verder, op zoek naar de chimpansees. Die zoektocht zal meer dan zes uur duren, met slechts enkele vluchtige glimpen als beloning.
De dag erna, tijdens een hemels ontbijt geserveerd midden in de theeplantage, herinnert het uitzicht op het groen dat de horizon opslokt – als een knipoog naar de vergeefse jacht van de vorige dag – aan de menselijke nederigheid tegenover deze gloeiende natuur.







